 |
Technische rapport over de Nijmeegse IJzergieterij
De Nijmeegse IJzergieterij is gelegen op het industrieterrein van Nijmegen, aangeduid als Westkanaaldijk. Het bedrijf veroorzaakt al vele jaren stankoverlast in een groot deel van Nijmegen en Beuningen. Een stankoverlast die het noodzakelijk maakt dat ramen en deuren gesloten blijven. Daarnaast bestaat de indruk dat, gelet op de aard en de hoeveelheid van de stoffen die uitgestoten worden, de lucht die verspreid wordt ongezond is voor mensen open rond het industrieterrein.
In bijgaande rapportage van technisch bureau MOB wordt ingegaan op de verschillende vervuilende stoffen die het bedrijfuitstoot en op een eerder uitgebrachte geurrapport. De brief is gericht aan de provincie die voor de Nijmeegse IJzergieterij het bevoegde gezag is voor de milieuvergunning.
Omdat uit de voorgaande rapporten van MOB al gebleken was dat de Nijmeegse IJzergieterij meer uitstoot dan volgens de vergunning geoorloofd is, heeftLeefmilieu op 20 september, samen met andere groepen, een verzoek tothandhaving van de milieuvergunning ingediend. De provincie heeft al mondeling laten weten dat ze een dergelijk verzoek zal afwijzen, wij overwegen verdere juridische stappen.
Luchtverontreiniging door Nijmeegsche IJzergieterij B.V. (NIJG)
stand van zaken kennis van naar de lucht geëmitteerde stoffen
Gedeputeerde Staten van Gelderland
Dienst Milieu en Water
T.a.v. mevrouw G. Verbruggen
Handhaving jur. en bedrijfscoördinator
Postbus 9090
6800 GX Arnhem
Nijmegen, 20 september 2000
Geachte mevrouw Verbruggen,
Onze dank voor het toezenden van de meetrapporten van de metingen van 17-27 april, 10-11 mei 2000 en het concept rapport betreffende het geuronderzoek (per email ontvangen).
Bij brief van 16 april 2000 hadden we U verzocht om een specificatie van de huidige emissies van schadelijke en hinderlijke stoffen door NIJG. Wij verzochten om een zo precies mogelijk beeld van:
- wat en hoeveel er door NJIG wordt geëmitteerd;
- waaraan en in welke concentraties de omgeving wordt blootgesteld;
- of de immissie concentraties als gevolg van de emissies van NIJG, opgeteld bij de achtergrondconcentraties, binnen de daartoe gestelde normen blijven.
Het betreft emissies van de volgende stoffen:
- Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK)
- Koolwaterstoffen
- Vluchtige Organische Stoffen (VOS)
- Zwaveldioxides
- Stikstofoxides
- Koolmonoxide
- Zwavelwaterstof
- Metalen
- Fenolen
- Fluoriden
- Blauwzuur
- Ammoniak en amines
- Furaanharsen en ftalaatesters
- Formaldehyde
- Dioxines
- Stof
- Geur/Stank.
Ad 1: Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK)
In de hoofdtekst van Uw rapport van 28 juni 2000 (Rapportnr. EM-00-14) hebt U in de hoofdtekst alleen de som van 6 PAK opgenomen, niet de som van 16 PAK. In de bijlagen betitelt u deze som van 6 PAK als ‘PAK’s totaal’, hetgeen nogal verwarrend is, omdat U dan de som van 6 PAK bedoelt te zeggen. Overigens klopt dit ook weer niet omdat er slechts 5 PAK gemeten zijn, niet 6. Zie verderop.
De volledige resultaten van de PAK metingen aan de koepeloven van 20 en 26 april zijn vermeld in tabel 2 van Uw rapport. Hiermee hebben we verder gerekend. De metingen van 26 april laten we verder buiten beschouwing omdat uit de tabel blijkt dat het filter heeft doorgeslagen.
Totaal 6 PAK
Het betreft hier metingen aan de koepeloven van de 6 ‘bewezen carcinogene’ PAK, zoals vermeld onder klasse C1 van de NER. Echter van deze 6 PAK is Benzo(j)fluorantheen niet door U gemeten zoals blijkt uit pagina 6 van bijlage 4. Uit pagina 5 van bijlage 1 blijkt dat U dan gemakshalve(?) de concentratie van Benzo(j)fluorantheen maar op 0 stelt, terwijl deze component niet is gemeten. Waarop berust deze aanname? De ongereinigde massastroom, zoals vermeld in de NER, van 0,5 gram/uur (voor 6 C1 PAK) wordt met 0,42 en 0,33 gram/uur (totaal van 5 C1 PAK, niet van 6 C1 PAK zoals foutief gesteld in Uw rapport) weliswaar juist onderschreden, echter voor deze stoffen geldt de minimalisatieverplichting ook in geval van onderschrijding van de massastroom en de maximale emissieconcentratie. Dit betekent dat op het moment dat een revisievergunning aan de orde is moet worden nagegaan of redelijkerwijs een ( verdere) reductie van de emissie van deze bewezen carcinogene stoffen kan worden bereikt.Er is geen veilige drempelwaarde voor deze 6 PAK. Wij herinneren U eraan dat in de filters van de luchtinlaat van een naburig bedrijf ook carcinogene PAK zijn aangetroffen uit de C1 categorie. Zie onze brief van 16 april 2000. Het betreft hier Benzo(a)anthraceen en Benzo(b)fluorantheen die door U ook in de afgassen van de koepeloven zijn aangetroffen.
Uw conclusie in hoofdstuk 5 dat ‘de concentratie aan PAK voldoet aan de emissie-eis van de NER’ is niet correct en is gebaseerd op een onjuiste interpretatie van de NER (bevestigd door Infomil).
Toepassing van de minimalisatieverplichting voor bewezen carcinogene stoffen als de bovengenoemde 6 PAK (ieder voor zich bewezen carcinogeen volgens de literatuur) is verplicht volgens de NER en niet facultatief zoals U in de conclusies van Uw meetrapport doet voorkomen.
Totaal 16 PAK
Wij hebben de meetresultaten in tabel 2 van Uw rapport doorgerekend voor het totaal van 16 PAK. Blijkens Uw metingen is de concentratie van de 16 PAK circa 300 maal zo groot als het totaal van de 6 PAK. Op 20 april bedroeg de emissie van 16 PAK maar liefst 125 gram/uur (meting van 12.50) en 106 gram/uur (meting van 14.32). De concentratie van het totaal van de 16 PAK bedroeg 4,6 respectievelijk 3,9 mg/nm3. Dit is echter de som van slechts 16 PAK. Er zijn echter honderden PAK verbindingen.
Dit betekent dat een behoorlijk deel van de door de koepeloven uitgestoten koolwaterstoffen bestaat uit PAK verbindingen. De identiteit van de overige in de afgassen van de koepeloven aanwezige koolwaterstoffen is helaas nog steeds niet bekend (zie verderop).
In het basisdocument PAK (VROM) zijn 10 PAK geselecteerd (waaronder de 6 bovengenoemde plus fenantreen en fluorantheen (circa 70% van de 16 PAK van NIJG). De Gezondheidsraad stelt in een reactie op het basisdocument dat de tien PAK, wat hun kankerverwekkend vermogen betreft, beperkt representatief zijn en niet kan worden uitgesloten dat zich onder de andere PAK en PAK derivaten nog (sterk) kankerverwekkende verbindingen bevinden.
Wat betreft sterk kankerverwekkende derivaten komen met name ook de nitro-PAK in aanmerking, waarvoor de vorming in de rookgassen van de koepeloven te verwachten valt als gevolg van de chemisch ‘gunstige’ combinatie van de aanwezigheid in de rookgassen van PAK, NOx (zie verderop) en een verhoogde temperatuur.
Over deze nitro-PAK en de vorming ervan is rond 1990 door KEMA gepubliceerd. Deze nitro-PAK bleken aanzienlijk sterker kankerverwekkend dan de PAK zonder een nitro groep.
Uit het bovenstaande blijkt dat er:
- Bewezen carcinogene PAK worden geëmitteerd;
- Vele andere PAK in hoge concentraties van > 4 mg/nm3 worden geëmitteerd met een vracht van > 100 gram/uur. Helaas zijn niet op hetzelfde moment totaal koolwaterstoffen gemeten;
- Vele andere nog niet geïdentificeerde (polycyclische en andere) koolwaterstoffen (waarschijnlijk ook aldehyden en ketonen) worden geëmitteerd, waaronder zich ook nog mogelijk kankerverwekkende stoffen kunnen bevinden.
Naar alle waarschijnlijkheid worden er ook nitro-PAK gevormd en geëmitteerd.
Naast Uw verplichting tot het toepassen van de minimalisatieverplichting wijzen wij U op de volgende punten:
- Naast het CFK protocol bestaat er ook een POP (Persistent Organic Pollutants) protocol. Alle 16 door U bij NIJG gemeten PAK verbindingen vallen onder dit protocol, dat in juni 1998 is ondertekend door 33 landen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UN-ECE) in Aarhus (Denemarken) in het kader van het Verdrag van Grensoverschrijdende Luchtverontreiniging over Lange Afstand (CLRTAP). In dit protocol staan afspraken over emissievermindering van POP inclusief PAK. Dit protocol is door Nederland geratificeerd.
- Er is ook een emissiereductiedoelstelling in het Convenant Uitvoering Milieubeleid Metaal- en Elektrotechnische Industrie. Hieronder valt ook NIJG. Dit Convenant bevat t.a.v. PAK de volgende doelstellingen:
- 80% reductie in het jaar 2000
- 99% reductie in het jaar 2010.
Peildatum is 1985
- KWS beleid van de Nederlandse overheid dat erop gericht is om de koolwaterstoffen emissie drastisch te reduceren.
- Uit (door ECN) in het begin van 1997 uitgevoerd onderzoek naar de kwaliteit van de lucht in Nijmegen (ECN-C-97-036) blijkt de volgende systematische verhoging van PAK in lucht in Weurt en Nijmegen-West vergeleken met Nijmegen-Oost:
| Locatie: |
Gemeten PAK concentratie in ng/m3: |
Relatieve concentratie in %: |
| Nijmegen-Oost |
28 |
100 |
| Nijmegen-West |
41 |
147 |
| Weurt |
50 |
181 |
Zeer waarschijnlijk is NIJG niet de enige oorzaak van verhoogde PAK concentratie in de lucht in Nijmegen-West/Weurt, maar de bijdrage is zeker significant te noemen.
Op basis van het bovenstaande lijkt ons het op korte termijn installeren van een naverbrander een onontkoombare conclusie.
De PAK emissie via de open nok is niet gemeten.
Ad 2: Koolwaterstoffen uit de ovens
De trommeloven lijkt bijzonder weinig koolwaterstoffen te emitteren. De concentratie bedroeg ‘0’ volgens Uw rapport. Wat is eigenlijk de detectiegrens van de meting? Dit klopt niet met de gemeten geurconcentraties op 22 juni waarbij een geurconcentratie werd gemeten van circa 4.400 ge/m3. Naar alle waarschijnlijkheid zijn dit toch ook koolwaterstoffen.
De vergunde koolwaterstoffenemissie uit de koepeloven bedraagt 6,7 kg/uur bij een concentratie van 100 mg/nm3. Tijdens de metingen van TAUW werd de norm uit de vergunning met 30% overschreden. Wij hebben U in onze brief gevraagd naar de samenstelling van deze koolwaterstoffen. We weten nu dat PAK een substantieel deel uitmaken (5-25%?) van het totaal aan koolwaterstoffen. De identiteit van de overige stoffen is niet bekend.
Nog onbekend zijn:
1. PAK emissie via de nok, deze is nog nooit gemeten
2. Identiteit van de door de koepeloven en via de nok uitgestoten koolwaterstoffen
3. Benzeen emissie.
Ad 3: Vluchtige Organische Stoffen (VOS)
Er zijn geen metingen aan VOS uitgevoerd. Uit het oude concept bedrijfsmilieuplan van NIJG blijkt de totale VOS emissie (exclusief de koolwaterstoffen emissie uit de koepeloven en de open nok) circa 60.000 kg/jaar te bedragen. Op blz. 33 van het document wordt vermeld dat de emissie sinds 1992 met 50% is toegenomen. De huidige vrachten zijn ruim boven de grensmassastroom voor de gO2 en gO3 klassen. De in de aanvraag genoemde emissie bedraagt circa 35.000 kg/jaar.
Het is evident dat de VOS emissie aanzienlijk moet worden gereduceerd op grond van normen in de NER en het gegeven dat deze huidige hoge emissie in strijd is met de vigerende vergunning.
Ad 4: Zwaveldioxides
Zowel in maart 2000 (metingen door TAUW) als in april (provinciale metingen) overschreed SO2 de vergunningnorm van 200 mg/nm3 van de koepeloven ondanks de verdunning van de rookgassen met ruimtelucht. Deze verdunning blijkt uit een beschrijving van de manier van afzuigen van de rookgassen en wordt bevestigd door de hoge door U gemeten zuurstofgehaltes tussen 17,4% en 17,7% in de afgassen van de koepeloven. Zonder verdunning zou de SO2 concentratie nog aanzienlijk hoger uitvallen.
Uit het bedrijfsmilieuplan blijkt dat de jaarlijkse SO2 emissie is toegenomen van 4.515 kg (1989) tot 8.450 kg (1997). Er is 7.280 kg/jaar aan emissieruimte aangevraagd, hetgeen betekent dat NIJG de vergunning op dit punt niet naleeft.
Nog onbekend zijn:
1. SO2 emissie via de nok, deze is nog nooit gemeten.
2. SO2 concentratie in onverdunde rookgassen.
Ad 5: Stikstofoxides
De metingen van maart van TAUW aan de koepeloven in april gaven geen overschrijding voor NOx te zien. Uw metingen in april gaven wel een overschrijding te zien voor de NOx emissie van de trommeloven ondanks de verdunning van de rookgassen met ruimtelucht. Deze verdunning blijkt uit:
1. De beschrijving van de manier van afzuigen van de rookgassen
2. De zeer hoge door U gemeten zuurstofgehaltes tussen 20,7% tot 20,9% in de
afgassen van de trommeloven.
3. Het CO2 gehalte tussen 1,0 en 1,2%.
4. Het lage gas en zuurstofverbruik zoals vermeld in paragraaf 3 van Uw rapport in
combinatie met het luchtdebiet van 26.000 nm3/uur van de afgassen.
Zonder verdunning zou de NOx concentratie nog aanzienlijk hoger uitvallen en zouden ook de metingen van TAUW in maart de norm hebben overschreden.
Nog onbekend zijn:
1. NOx emissie via de nok, deze is nog nooit gemeten.
2. Toetsing van de maximale immissie concentratie voor NO2 rekening houdend met de achtergrondconcentratie? Hoe verhoudt zich deze waarde ten opzichte van de Nederlandse immissie-eis voor NO2 zoals vermeld in de NER?
3. NOx concentratie in onverdunde rookgassen.
Ad 6: Koolmonoxide De CO emissie uit de trommeloven is relatief gering met een concentratie tussen 10 en 17 mg/nm3. De concentratie van CO in de afgassen van de koepeloven bedroeg circa 4.500 mg/nm3 hetgeen substantieel lager is dan gebruikelijk bij koepelovens zonder zuurstofinjectie (circa 15.000 mg/nm3). Misschien is de CO concentratie relatief laag als gevolg van de bij NIJG geïnstalleerde zuurstof injectie.
Nog onbekend zijn:
1. CO emissie via de nok, deze is nog nooit gemeten.
2. Toetsing van de maximale immissie concentratie voor CO rekening houdend
met de achtergrondconcentratie.
3. CO concentratie in onverdunde rookgassen.
Ad 7: Zwavelwaterstof
De H2S emissie uit de koepeloven bedroeg circa 1 mg/nm3 en blijft circa een factor 5 onder de toetsingswaarde van de NER, waarbij dient te worden vermeld dat de afgassen verdund zijn (zie boven).
Ad 8: Metalen
Gemeten zijn lood, cadmium, chroom, nikkel, arseen in de afgassen van de koepeloven na passeren door het stoffilter. Allen lood blijkt relevant te zijn en blijft op een meting na onder de eis in de vergunning. Wel moet worden aangetekend dat de rookgassen zijn verdund met ruimtelucht (zie hiervoor) en dat hierdoor de loodvracht onnodig hoog is ondanks dat deze meestal beneden de eis in de vergunning blijft. Uit de metingen lijkt een directe correlatie op te maken tussen stof en lood concentratie na het filter.Er zijn nog geen nikkel emissiemetingen uitgevoerd tijdens de productie van nikkel legeringen.
De volgende stoffen zijn niet gemeten. Ook zijn er geen emissies bekend uit rapportages van NIJG:
- Ad 9: Fenolen/fenolaten
- Ad 10: Fluoriden
- Ad 11: Blauwzuur
- Ad 12: Ammoniak en amines
- Ad 13: Furaanharsen en ftalaatharsen
Een groot deel van deze stoffen komt vrij via de open nok en de ruimteventilatie van de vormerij/kernmakerij.
Ad 14: Formaldehyde
Op KNP na is NIJG veruit de grootste formaldehyde emittent van Nijmegen (Zie Het Milieu in Weurt en Nijmegen-West, Deelrapport 1, September 1997). Er wordt een emissie genoemd van 375 kg/jaar. In het oude concept bedrijfsmilieuplan wordt gemeld dat formaldehyde emissie plaats vindt bij de productie van vormen en als gevolg van het gieten. Er wordt een totale emissie van deze bronnen genoemd van 0,14 kg/uur hetgeen boven de grensmassastroom is van 0,1kg/uur zoals vermeld in de NER. Niet vermeld zijn de emissies via de rookgassen en eventueel andere bronnen. Er wordt ook niet vermeld of dit metingen of schattingen zijn. Wel wordt geconcludeerd dat de emissie boven de grensmassastroom is. Daarna wordt op pagina 30/31 van het bedrijfsmilieuplan geconcludeerd dat aan de concentratie-eis in de NER wordt voldaan in de volgende bewoordingen:‘Boven de vormenproductie zijn drie ventilatoren aanwezig met elk een debiet van 17.500 m3 per uur. Bovendien is er tevens sprake van natuurlijke ventilatie. Hiermee wordt het debiet in ieder geval groter dan 52.500 m3/uur. Op basis van deze mechanische ventilatie voldoet men aan de NER’. Dit betekent dus: via verdunning blijft NIJG onder de concentratie-eis van de NER, waarbij is vergeten dat de concentratie-eisen in de NER betrekking hebben op onverdunde en aan de bron afgezogen luchtstromen. Dit luchtdebiet van 52.500 m3/uur is overigens niet in de vergunningaanvraag traceerbaar.
Door de Provincie zijn geen formaldehyde metingen uitgevoerd.
Ad 14: Dioxines
De dioxine metingen aan de gereinigde afgassen van de koepeloven van zowel TAUW als van de Provincie blijven ruim onder de waarde van 0,1 ng/m3, waarbij dient te worden aangetekend dat de luchtstroom verdund is met ruimtelucht.
Niet bekend is hoeveel dioxine er via de open nok wordt geëmitteerd. Uit de literatuur is ons een geval bekend dat de dioxine emissie via de ruimteventilatie 10 maal zo hoog was als via de schoorsteen.
Ad 15: Stof
Uit de metingen van TAUW en de Provincie blijkt dat NIJG in staat is om onder de norm van 10 mg/nm3 te blijven. Incidenteel vinden toch nog overschrijdingen plaats als gevolg van het niet (optimaal) functioneren van de stoffilters. Dit toont het belang aan van continue, registrerende stofmetingen. Tijdens de voorlichtingsavond van vorige week hebben we begrepen dat er continue metende en registrerende stofmeetapparatuur wordt aangebracht?
Diffuse stofemissies zijn niet gemeten. Met name de open nok is waarschijnlijk een belangrijke bron van stofemissie.
Ad 16: Geur/Stank
De eerder gemeten geuremissies van de koepeloven bedroegen 2,5.E9 tot 3,5.E9 GE/uur. In april is 1,6.E9 GE/uur gemeten. Het gemiddelde van de metingen op 22 juni bedroeg 1,52.E9 GE/uur. Hiermee zijn de transmissie (immissie)berekeningen uitgevoerd.Het concept rapport is pas recent per email naar ons verstuurd. Onze eerste indruk is dat het document niet objectief is maar vaak de mening van NIJG verwoordt.
Concrete zwakke punten zijn:
- De uitvoerders van het onderzoek lijken niet op de hoogte te zijn van de inhoud van het ‘Werkboek milieumaatregelen Metaal- en Elektrotechnische Industrie’. Uit dit werkboek blijkt dat naverbranders als ALARA kunnen worden beschouwd en zeker niet als BTM. Ten onrechte wordt niet gerefereerd aan de al bijna 2 decennia in bedrijf zijnde naverbrander van de koepeloven van NEFIT in Deventer.
- In tabel 2.1 wordt verzuimd om te melden dat de koepelovenafgassen ook KWS en PAK in aanzienlijke concentraties bevatten. Uit de tekst verderop lijkt op te maken dat dit niet bekend is bij de auteurs.
- Het toepassen van een wasser om geurcomponenten te verwijderen is een vreemde suggestie omdat nu eigenlijk al wel vaststaat dat een wasser hier niet werkt, zelfs niet als er grote hoeveelheden vers water zouden worden gesuppleerd. Wij hebben veel ervaring met wassers ook voor geurverwijdering, maar we zouden deze techniek voor NIJG niet aanbevelen gezien het waarschijnlijk slecht wateroplosbare karakter van de geurbepalende stoffen. Ook PAK verbindingen kunnen niet met een wasser worden verwijderd.
- Het rapport is nogal tegenstrijdig voor wat betreft het effect van zuurstofinjectie op de geuremissie. Op sommige plaatsen wordt gesteld dat er geen effect is. Op andere plaatsen wordt gesteld dat de geuremissie wel (significant). Als er vermindering is dan lijkt deze beperkt te zijn.
- De mate van voorverdunning van de afgassen van de koepeloven lijkt erg klein te zijn. Wat is het verdunningsbereik van de gebruikte olfactometer?
- Voor de emissie van de ruimteventilatie is gerekend met 104.E6 GE/uur. Met een elders genoemd luchtdebiet van 250.000 m3/uur als benodigde ruimteventilatie komt dit neer op een absurd lage geurconcentratie van 416 GE/m3. De bijdrage van de ruimteventilatie wordt hiermee drastisch onderschat. Helaas zijn geen luchtmonsters van de lucht uit de nok gemeten. Dit levert niet alleen en onderschatting van de huidige contourlijnen, maar het betekent ook dat er onvoldoende informatie is om aan te geven of een geforceerde luchtventilatie een oplossing is. Het geurrapport blijft op dit punt ernstig in gebreke en voldoet hiermee niet aan de eisen in de vergunning.
- Het toepassen van hoge(re) schoorstenen is een verouderde techniek, die meer dan 50 jaren geleden in zwang is geweest. In geval van schoorsteenverhoging vindt verspreiding van PAK verbindingen plaats over een nog grotere cirkel dan nu het geval is. Dit is in strijd met het door Nederland geratificeerde POP verdrag.
- De indruk bestaat dat niet alle geurbronnen zijn meegenomen.
- Ook komt stankoverlast nog vaak na 17.00 voor. Dit klopt niet met de transmissieberekeningen.
Onze conclusie is dat het concept-geurrapport:
1. De werkelijke situatie aanzienlijk onderschat.
2. Niet als een objectief document kan worden beschouwd.
3. Niet voldoet aan de voorwaarden in de vergunning.
Daarbij is het onbegrijpelijk dat tijdens dit onderzoek en/of tijdens de andere onderzoeken niet gekeken is naar de identiteit van de door de koepeloven geëmitteerde koolwaterstoffen en geen aandacht is besteed aan PAK/KWS emissie reductie van de afgassen van de koepelovens en de open nok.
Voor wat betreft de koepelovens en de (nu ongecontroleerde) ventilatie van de productiehal lijkt het erop dat als enige overblijven:
- Overstappen van koepelovens op elektro-ovens of:
- Naverbranding van rookgassen van de koepelovens. Gegeven de hoge concentratie aan PAK verbindingen is naverbranding een aangewezen techniek. Deze maatregel doet recht aan:
- De verplichting tot minimalisatie van carcinogene PAK uit de C1 klasse van de NER.
- Emissiereductiedoelstelling van het Convenant Uitvoering Milieubeleid Metaal- en Elektrotechnische Industrie, dat de volgende doelstellingen bevat(peiljaar 1985):
- 80% reductie in het jaar 2000
- 99% reductie in het jaar 2010.
- KWS beleid van de Nederlandse overheid.
- Door Nederland in 1998 getekende POP verdrag.
- Het verminderen van de PAK belasting van de bevolking in Weurt die toch al (circa 80%) aanzienlijk hoger is dan in Nijmegen-Oost.
Naverbranding lost echter het SO2 probleem niet op.
- Gecontroleerde ventilatie van productiehallen met een adequaat luchtdebiet. In het rapport wordt zonder onderbouwing 250.000 m3/uur genoemd. Helaas zijn er geen betrouwbare meetgegevens van de emissies via deze bron met betrekking tot stof, dioxine en geur. Hierdoor is het onduidelijk welke reinigingstechnieken moeten worden ingezet om afvoer van ventilatielucht via een hoge schoorsteen mogelijk te maken.
Conclusie
Het milieuprobleem dat NIJG veroorzaakt is meer dan alleen een geurprobleem. Het is ook een volksgezondheidsprobleem. Qua maatregelen lijkt het onontkoombaar om de koepelovens te vervangen door een electro-oven, dan wel om een naverbrander te installeren voor het verminderen van PAK, KWS en geuremissie.
Uit het bovenstaande blijkt dat er nog (flinke) gaten zitten in het emissieplaatje van de NER. Wat er verder nog aan maatregelen moet worden getroffen met betrekking tot de ventilatie van de productiehal en van andere afdelingen is daardoor niet duidelijk.
Wij verzoeken U om ons de bovengenoemde ontbrekende informatie toe te doen komen en ontvangst van deze brief te bevestigen.
Hoogachtend,
Drs. Ing. Johan Vollenbroek
Kopie:
Werkgroep Weurt+, heer J. Smits
Werkgroep Waterkwartier, heer A. Zuuring
Stichting Frisse Lucht Lindenholt, heer R. Grevink
Aannemersbedrijf Van de Water B.V., heer W. van de Water en heer L. Eijkhout
Sealed Air B.V., heer J. van Wieringen
Bewoners Jonkerstraat, heer D. Zeeman, Weurt
Mevrouw G.W. Nalis van Gemeente Nijmegen
Stibbe Simont Monahan Duhot, Mr J.J. Draaijer
Inspectie Volksgezondheid, Hr K. Waterlander
|
 |